Wachten

Foto door Ju00c9SHOOTS op Pexels.com


Ze waren het liefdespaar van de middelbare school.

Daar stond ze, onder de luifel van het gesloten restaurant. Ze was op tijd, misschien iets te vroeg. Je weet maar nooit hè, je wilt een ander toch ook niet laten wachten. Ze wist hoe vervelend dat was.
Haar dochter met dat eeuwig drukke gezinsleven was altijd te laat.
En nu stond ze hier, tussen de opgestapelde terrasstoelen. Het was een beetje armoedige plek om af te spreken. Ze keek naar de mensen die op het terras van het restaurant aan de overkant zaten te lunchen. Het zag er allemaal heel gezellig uit. Bij de twee vrouwen in de hoek spatte de blijdschap van hun ontspannen gezichten. Alsof ze verliefd waren. Zou dat waar zijn? Ze kende geen mannen- of vrouwenstellen.
Ach, hoe lang geleden was het dat ze verliefd was geraakt op haar man zaliger? Ze daalde af in haar herinneringen waar de tijd nog aan haar kant stond en de toekomst onbegrensd leek. Ze hadden het goed gehad, mooie reizen gemaakt, lekker met de boot op de plassen gevaren. Hij was een harde werker en had als bloembollenteler goed geboerd. Daar plukten de kinderen die het bedrijf na zijn overlijden hadden overgenomen, de vruchten van. Jan, ze miste hem enorm. Hij was altijd lief voor haar, had haar op handen gedragen. Niets was te dol. Zij was thuisgebleven, bij de kinderen.
‘Beatrijs’, had Jan gezegd, ‘jij hoeft niet te werken. Ik ben je man en ik beschouw het als mijn plicht om ervoor te zorgen dat het je aan niets ontbreekt.’ Heerlijk had het geklonken. In het begin vergde het thuis zijn en voor de kinderen zorgen nog veel van haar maar toen ze naar de middelbare school gingen, had ze zeeën van tijd. Tijd waarmee ze iets moest aanvangen.
Ze keek uit naar het moment dat Jan thuiskwam en naar de weekenden. Dan gingen ze op stap. Met pubers is niks te beginnen, die leven hun eigen leven en ouders zijn hen alleen maar tot last. Snotkinderen.
Ze had ze teveel verpest. Alles was zwaar, te veel, te druk, te vermoeiend. Niks konden ze hebben. Ze hadden hun vader eens moeten zien. Die man werkte als een paard. Alle dagen laat thuis. Vaak op zondagmiddag ging hij nog naar de zaak.
Ach, haar Jan. In de beginjaren was het allemaal zo fantastisch. Ze waren het liefdespaar van de middelbare school. Ze keek nog wel eens naar ‘Het mooiste meisje van de klas’. Zij en Jan waren ook zo populair. Wat een tijd was dat. Ja, hij had haar altijd op handen gedragen. Jammer dat ze nooit mee mocht met de bedrijfsuitjes naar Scandinavië waar veel afnemers zaten.
Haar vader, van wie het bloembollenbedrijf oorspronkelijk was, had hem nooit gemogen.
‘Een charlatan is het Beatrijs, let op mijn woorden. Zo glad als een aal, die glibbert uit je handen, zwemt bij je vandaan’. Dat kon allemaal wel zo zijn, maar Jan de smoezenier had er toch maar mooi een internationaal bedrijf van gemaakt. Nee, het had haar aan niets ontbroken.
Het werd warm onder de luifel. Beatrijs stond daar toch al minstens een kwartier. Ze zag dat een van de twee vrouwen in de hoek haar af en toe aankeek. Het voelde wat ongemakkelijk.
Was Jan er nog maar, hij zou haar niet hebben laten wachten.
Nee, dat was niet waar. Op een goed moment was ze het spuugzat. Hij kon niet zomaar komen binnenvallen. Het was verdomme haar huis geworden, al die dagen zonder hem. Hoe kon ze nou haar eigen leven invulling geven als hij maar te pas en te onpas kwam binnenvallen?
Het was een mooie begrafenis. Het halve dorp was uitgelopen. Als Jan toch eens zijn eigen begrafenis had kunnen meemaken. Prachtig zou hij het hebben gevonden. Al die mensen die hen aanstaarden, net als toen op de middelbare school. Het voelde glorieus. Ze zag veel bekenden uit haar jeugd. Mannen en vrouwen die oud waren geworden. Was zij zelf ook zo oud? Ach, ze had het echt niet doorgehad. Tijd was voor haar zo rekbaar.
Direct na de begrafenis had ze had het grote huis aan de rand van het dorp verkocht en een penthouse gekocht aan de haven. Dat had nog meer leven in de brouwerij gebracht. Ja, ze had het gezellig gemaakt.
Toch was het nu heel anders dan toen ze jong waren. Die verliefdheid in haar jeugd, dat maak je maar eens mee in je leven. Haar vader had gelijk gehad. Jan was een charlatan en een gladde aal, maar ontglippen? Welnee, op een goed moment was er gewoon geen plaats meer voor hem in haar leven. Waar had ze de tijd vandaan moeten halen met Dennis, Jasper en Carlo? Als ze niet van te voren wist wanneer Jan thuis kwam, liep haar hele schema in de soep. Ze had geen tijd of zin om daar allemaal rekening mee te moeten houden.
‘Wij zijn mensen van de grond’, had haar vader gezegd. Van de grond of in de grond, haar maakte het niet uit. Als Jan maar weg was.
Ach die Jan. Wat een prachtige vent was het toch in zijn nieuwe cabrio op weg naar Zweden voor alweer een bespreking. Ze had ze nog uitgezwaaid, hem en zijn business development manager. God, hoe lang had dat vrouwtje met hem samengewerkt? Al vanaf hun trouwen toch? Nee, naar haar begrafenis was ze niet geweest. Ze was immers een vrouw in de rouw.
Haar Jan, wat een heerlijk leven had ze gehad met hem. Al die luxe, die vrijheid, die zeeën van tijd. Ja, hij had haar echt alles gegeven wat ze wilde, zoals hij had beloofd.
Ze keek nog eens op haar horloge. Ze was het wachten zat. Ze glipte er maar eens tussenuit.

Liever luisteren?

De beller

Foto: Mirjam Noach


Omdat er verder helemaal niets gebeurt, is dit een opvallend intermezzo.

De zon verwarmt de kamer en eindelijk is de wind afgenomen.
Er is geen haast, we hoeven nergens naartoe. Het is stil op straat, iedereen is met vakantie.
We lunchen, op ons gemak. Het smaakt zoveel beter als je er de tijd voor neemt, als je proeft wat je eet. De aangename stilte wordt verstoord door een man die aan de verder gelegen overkant zijn hond uitlaat. Zou hij weten hoe hard hij praat? Dat het geluid ver draagt en dat ik daarom bijna letterlijk zijn telefoongesprek kan volgen? Omdat er verder helemaal niets gebeurt, is dit een opvallend intermezzo. Ik loop naar de openstaande tuindeur en zie een man in een te lange beige korte broek. Daarop daagt hij een dominant rood ruitjesshirt, witte sportsokken en stevige schoenen.
Aan zijn stem hoor ik dat hij opgetogen is. Alsof hij voor het eerst in dagen weer iemand spreekt, fantaseer ik.

Op straat loopt een man met zijn hond. De wind is gaan liggen en het is aangenaam. De hond struint kwispelend door de berm, de lijn is lang genoeg om hem zijn gang te laten gaan. ‘Het is fijn een hond te hebben, dan is er een reden om me aan te kleden en naar buiten te gaan’, denkt hij. Hij kijkt voor zich uit en ziet de lege straat. Het is duidelijk zomer. Iedereen is met vakantie.
‘Was het maar vast voorbij, deze periode. Dan kan ik weer naar mijn biljartclub en kaarten in het Dorpshuis. Het is zo vreselijk stil’, peinst hij en kijkt naar zijn hond.
Dan gaat de telefoon. Eerst schrikt hij van het geluid en kijkt een moment verbaasd naar het ding. Het is lang geleden dat iemand hem heeft gebeld.
Uit enthousiasme begint hij heel hard te praten, zo blij is hij met de beller aan de andere kant van de lijn. Hij heeft het niet door. Trouwens, wie zou het horen? Het is zomer en het is stil op straat.

Liever luisteren?

Kort zomersprookje

Foto door Pierre Blachu00e9 op Pexels.com


De herinneringen van haar verblijf nam ze mee als souvenirs.

Van heel ver was ze gekomen. Vanuit het dichtbegroeide donkere woud waar ze zich beschut én beperkt voelde. Het was geen gemakkelijke beslissing geweest. Je weet immers wat je hebt en als je voor de keuze staat, zijn er altijd meer dan genoeg redenen om ergens van af te zien.
Voorzichtig zette ze haar eerste stappen op het pad aan de rand van het bos. Ze was op haar hoede, bij gevaar kon ze snel wegduiken. Aan de andere kant, daar zag ze de ongekende mogelijkheden. De dag dat ze alleen nog vooruit keek, kon ze zich goed herinneren.
De vermeende lichtheid van haar nieuwe situatie maakte haar dartel en met haar steeds grotere stappen nam ze ook meer risico. Ze was vrolijk en geliefd. Daar waar ze kwam vond iedereen haar leuk. Als ze ergens langere tijd bleef, liet ze een onuitwisbare indruk achter. Toch bleef iets haar voortdrijven. Het was leuk en fijn voor zolang het duurde. De herinneringen van haar verblijf nam ze mee als souvenirs.
Zorgeloos trok ze van plek naar plek totdat ze erachter kwam dat haar vrolijkheid slechts ijle lucht was. Het ontbrak aan een vaste substantie, om te omarmen of je veilig bij te voelen.
De bergen die ze over moest werden steeds hoger en ze sleepte zich voort. In de bittere winterkou passeerde ze dorpen vol warme peperkoekhuisjes. ‘Ik wil ook in een peperkoekhuisje en dan blijf ik in bed tot ik zin om eruit te komen’. Tranen welden op. Ze voelde zich eenzaam en onbeschermd. Gelaten trok ze verder en slechts langzaam kwam ze vooruit. Wat hadden haar die vrolijke en luchtige dagen uiteindelijk gebracht?
Boven aangekomen, uitgeput van de zware rugzak die ze meedroeg, stond ze stil en keek naar de schoonheid van wat verder weg lag. Wat een verschil met dat donkere woud waaruit ze tevoorschijn was gekomen. Dat had ze ‘m toch maar mooi geflikt.
In de lente werd het weer aangenaam met gezapige groene weiden waar doorheen kristalhelder water stroomde.
In het dorpje waar ze stopte, waren geen mierzoete peperkoekhuisjes. Hier stonden prachtige vakwerkhuizen met een stoer en stevig houten raamwerk en witgeschilderde muren.
De reis had haar inzicht gegeven, van ervaringen voorzien. Ze was wijzer geworden. Ze bekeek het dorp met oprechte interesse en zag vanaf de oude brug de diepgang van de rivier en hoe alles doorstroomt. De uitbundige bloemenzee hangend aan balkons en lantaarnpalen in parken voorzag de verzameling huizen, die oogden als een onneembaar bolwerk, van romantiek. Romantiek van het soort dat je overkomt.
Eindelijk begreep ze waarnaar ze op zoek was geweest. De woorden waarmee ze werd aangesproken op het plein vertelden het haar; wees welkom, hier kan jij je echte stem laten horen en je ware aard laten zien.
Ze was thuisgekomen. Haar reis was ten einde.

Voor iedereen die (binnenkort) op reis gaat; fijne zomerdromen gewenst ♥

Liever luisteren?

De boekentas voor mevrouw Taekema


Veel van de brieven hadden dezelfde strekking.
Hij was echt boos over het onrecht en de
omstandigheden in het kamp.

Dit jaar organiseerde Bibliotheek IJmond-Noord een schrijfwedstrijd met als titel “De boekentas voor mevrouw Taekema”. Een andere deelnemer heeft gewonnen. Dit is mijn inzending met aan het einde een twist. Het verhaal past in deze periode.
Leestijd: ongeveer 6 minuten.

De boekentas voor mevrouw Taekema

Sjors kwam binnen vlak voordat hij moest beginnen. Net op tijd komen was het enige dat niet veranderd was.
Haar kleinzoon volgde bij haar zijn online-lessen. Hij werd gek van het thuiszitten. Het was maar voor een paar uur per dag, zijn lessen duurden maar een half uur.
“Hoe laat begin je?” Had mevrouw Taekema gevraagd.
“Op dinsdag, woensdag en donderdag om half negen. Op maandag en vrijdag om negen uur.”
“Dan ben ik misschien net wakker Sjors.”
“Jij hoeft niet naar school”, had hij grinnikend geantwoord.

In de derde week dat Sjors bij zijn oma kwam, vroeg hij wat er in het koffertje zat dat naast de leunstoel stond. Iedere dag zag hij het staan en zijn nieuwsgierigheid werd steeds groter.
Hij overviel mevrouw Taekema met zijn vraag want hij zag dat ze schrok. Zijn oma had geantwoord dat het daar maar voor de sier stond.
De volgende dag was mevrouw Taekema erop teruggekomen. Ze had er slecht van geslapen; dat ze haar kleinzoon ontwijkend had geantwoord en omdat de inhoud van het koffertje zoveel verdriet bevatte. Slechts een keer had ze het geopend.
Ze vertelde hem dat het correspondentie tussen haar vader en moeder bevatte. In de Tweede Wereldoorlog was een Joodse jongen bij hen ondergedoken. Ze werden verraden, de jongen werd doodgeschoten en haar vader afgevoerd naar Kamp Westerbork waar hij in de gevangenis terechtkwam. Omdat ze twee kleine kinderen hadden, werd haar moeder gespaard. Haar vader had het niet overleefd.
Vol verbazing luisterde Sjors naar zijn oma. Nog nooit had iemand hier iets over verteld. Hij hoorde hoe haar stem brak, toen ze erover sprak. Ineens leek ze broos, terwijl ze anders altijd zo hip en krachtig was.
“Mag ik het zien?’, vroeg hij zacht. Mevrouw Taekema knikte. “Wat zwaar”, zei hij en ging naast zijn oma op de bank zitten. Voorzichtig, alsof hij een schatkist opende, lichtte hij het deksel. Zijn ogen zagen keurig geordende rijen enveloppen en briefkaarten. Sjors durfde het nauwelijks aan te raken, bang om iets te beschadigen, totdat zijn oma hem aanmoedigde een brief te pakken. Met veel moeite las Sjors wat er geschreven stond. “Alle pakketten heb ik in goede orde ontvangen. Er is niets uit. Gelukkig maar want ik heb zo’n honger.” Sjors keek zijn oma aan. Dit was heel heftig. Daar wilde hij meer van weten. Ze hadden afgesproken dat Sjors de koffer mee naar huis nam om de familiegeschiedenis te leren kennen.
Wel had mevrouw Taekema hem gewaarschuwd: “Je mag me alles vragen, en je mag er net zo lang over doen als je wilt. Denk erom; het is geen Fortnite. Weet waar je aan begint.”
De lege plek naast de leunstoel was meer dan symbolisch.

Na de lessen lunchten ze vaak samen en dan vertelde Sjors wat hij had gelezen en wat dat met hem, een zestienjarige puber, deed. Veel van de brieven hadden dezelfde strekking. Hij was echt boos over het onrecht en de omstandigheden in het kamp. Het gebrek aan eten, dat echtparen in aparte barakken kwamen, dat je met meer dan tweehonderd mensen een barak deelde, dat er geen verwarming was en nauwelijks sanitaire voorzieningen. De huivering van weer een transport. Steeds verder dook hij in de geschiedenis. Zo had hij de website van Kamp Westerbork bezocht en leerde dat het kamp na de oorlog nog twintig jaar als repatriëringskamp voor Indische Nederlanders had gediend. Het had hem verbaasd en dacht daar het zijne van.
“Misschien kan ik in de bibliotheek boeken lenen die meer vertellen over Kamp Westerbork”.
“Weet je zeker dat je dat wilt?” Mevrouw Taekema legde liefdevol haar hand op die van haar kleinzoon. Had ze er goed aan gedaan hem dit te laten lezen? Ze zag zijn worsteling terwijl ze had gehoopt dat het hem minder zou raken, omdat hij jong was en er verder vanaf stond.
Ze moest iets doen, ze moest hem helpen.
“Ik ben ook lid van de bibliotheek. Laat mij maar zoeken Sjors. Ik weet wat je nodig hebt.”

“Is dit echt de boekentas voor mevrouw Taekema?”, vroeg de bibliotheekmedewerker. Haar collega knikte.
Toen ze op de afgesproken tijd haar bestelling kwam ophalen zei de medewerker; “Dat is nog eens heel ander leesvoer, mevrouw Taekema”. Ze lachte en liep opgelucht terug naar huis.
Haar tas vol stripboeken voelde heel licht.

Liever luisteren?