De beller

Foto: Mirjam Noach


Omdat er verder helemaal niets gebeurt, is dit een opvallend intermezzo.

De zon verwarmt de kamer en eindelijk is de wind afgenomen.
Er is geen haast, we hoeven nergens naartoe. Het is stil op straat, iedereen is met vakantie.
We lunchen, op ons gemak. Het smaakt zoveel beter als je er de tijd voor neemt, als je proeft wat je eet. De aangename stilte wordt verstoord door een man die aan de verder gelegen overkant zijn hond uitlaat. Zou hij weten hoe hard hij praat? Dat het geluid ver draagt en dat ik daarom bijna letterlijk zijn telefoongesprek kan volgen? Omdat er verder helemaal niets gebeurt, is dit een opvallend intermezzo. Ik loop naar de openstaande tuindeur en zie een man in een te lange beige korte broek. Daarop daagt hij een dominant rood ruitjesshirt, witte sportsokken en stevige schoenen.
Aan zijn stem hoor ik dat hij opgetogen is. Alsof hij voor het eerst in dagen weer iemand spreekt, fantaseer ik.

Op straat loopt een man met zijn hond. De wind is gaan liggen en het is aangenaam. De hond struint kwispelend door de berm, de lijn is lang genoeg om hem zijn gang te laten gaan. ‘Het is fijn een hond te hebben, dan is er een reden om me aan te kleden en naar buiten te gaan’, denkt hij. Hij kijkt voor zich uit en ziet de lege straat. Het is duidelijk zomer. Iedereen is met vakantie.
‘Was het maar vast voorbij, deze periode. Dan kan ik weer naar mijn biljartclub en kaarten in het Dorpshuis. Het is zo vreselijk stil’, peinst hij en kijkt naar zijn hond.
Dan gaat de telefoon. Eerst schrikt hij van het geluid en kijkt een moment verbaasd naar het ding. Het is lang geleden dat iemand hem heeft gebeld.
Uit enthousiasme begint hij heel hard te praten, zo blij is hij met de beller aan de andere kant van de lijn. Hij heeft het niet door. Trouwens, wie zou het horen? Het is zomer en het is stil op straat.

Liever luisteren?

Fantasie en werkelijkheid


De bomen fluisteren en de vogels fluiten.

Hoe verder weg ik van de weg geraakte,
des te meer fluisterden de bomen mij toe.
“Maar hoe kan dat dan?” Vroeg ik.
“Jullie zijn bijna helemaal kaal.”
“Ach, je weet toch”, fluisterden ze,
“dat hoge bomen veel wind vangen.”

Terwijl ik op de zachte ondergrond loop, met het autogeraas in mijn linker- en vrolijke flierefluiters in mijn rechteroor, schiet ineens te binnen wat een vriend mij ooit zei.
“In Nederland is het nergens stil.” We zijn er zo al zo aan gewend dat het nauwelijks meer opvalt.
Rustig dwaal ik verder in deze oudheid waar minutenlang geen hond te bekennen is. De bomen fluisteren en de vogels fluiten. De beslotenheid van het bos dat ooit als eerste strandwal is gevormd en nu ingesloten ligt tussen wonen en werken, is een sprookjesomgeving waar je een andere dimensie bereikt en buiten de werkelijkheid lijkt te treden. Geestverruimend.
Het gevoel blijft bij me als ik naar huis fiets, de brug passeer en het betonnen fietspad bereik met het meanderend stroompje in weidelandschap. Daar zie ik zowel de zon als de maan aan de hemel. Staan die twee altijd recht tegenover elkaar? Nog in de betovering van het bos, kruis ik de drukke N-weg op weg naar de woonwijk, modern en ruim van opzet, ingericht op de toekomst. Het heeft iets hartelijks. De openheid straalt uit dat iedereen welkom is in het nu.
Met een schok constateer ik dat deze toegangsweg naar het heden, mij direct heeft losgerukt van het bosrijke verleden achter mij.
Twee totaal verschillende sferen op een afstand van nog geen twintig minuten fietsen.
Dat is net zo als binnen en buiten, drukte en stilte, beton en mos, fantasie en werkelijkheid.

Liever luisteren?